donderdag 25 april 2013
dinsdag 23 april 2013
vrijdag 19 april 2013
'Smoederke vertelt #2
Mijn oma voer (vaarde??) nog mee op het schip, dus moet dit rond 1930 zijn geweest.
Het schippersleven had een voordeel, net als bij boeren overigens:
"Och, vrouwke," zei meneer pastoor,
Het schippersleven had een voordeel, net als bij boeren overigens:
ze hadden meestal genoeg te eten. Net genoeg dan.
Schippers hadden ook meer "non food" producten, zoals kolen, textiel, zelfs huisraad. Afhankelijk van wat ze in het ruim vervoerden.
Als ze bijvoorbeeld een ritje kolen hadden, zorgden ze er voor, dat er altijd wat "overbleef" in het ruim.
Dat deden ze dan in hun kolenhok.
Tegenwoordig wordt dat "van de vrachtauto gevallen" genoemd.
Tegenwoordig wordt dat "van de vrachtauto gevallen" genoemd.
Mocht niet, maar als je moet kiezen tussen "iets stiekem achterhouden" of sterven van honger of in dit geval ook van de kou, dan kies je snel hoor.
Ze lagen aan de wal.
Ze lagen aan de wal.
Oma stond buiten op het schuitje onder een afdakje te koken op het kolenfornuisje.
Ja, alles was klein. Mijn opa was een soort van "keuterschippertje".
Naast haar stond het luik open van het kolenhok. Lekker vol met kolen.
Daar kwam de pastoor op bezoek.
Ja, vaak rond etenstijd. Geestelijken zijn ALTIJD al uitgekookt geweest. (Ze lullen lekker en ze vullen lekker. Buik en buidel.)
"Zo, vrouwke. Gaj hèdunne flinke berrug meej kolen.
"Zo, vrouwke. Gaj hèdunne flinke berrug meej kolen.
Kannikkernie tweej emmerkus van kraiguh?" 1)
Mijn oma keek geschokt. Zij wist ook wel dat ze er zelf niet echt eerlijk aan was gekomen. Zij wist ook wel dat m'neer pastoor dat ook wist. Ze fluisterde:
"Maar meneer pastoor, daddis toch stelen?"
Mijn oma keek geschokt. Zij wist ook wel dat ze er zelf niet echt eerlijk aan was gekomen. Zij wist ook wel dat m'neer pastoor dat ook wist. Ze fluisterde:
"Maar meneer pastoor, daddis toch stelen?"
"Och, vrouwke," zei meneer pastoor,
"dan komde gaj baj maj maar un kirke te biechten, hoor." 2)
RFTS
Op verzoek van lezers van de eerste "Smoedurku vertelt" een hertaling van enkele zinnen:
1) "Zo, vrouwtje. Jij hebt een flinke berg met kolen. Kan ik er niet 2 emmers van krijgen?
2) "...dan kom jij bij mij maar een keer biechten, hoor."
RFTS
Op verzoek van lezers van de eerste "Smoedurku vertelt" een hertaling van enkele zinnen:
1) "Zo, vrouwtje. Jij hebt een flinke berg met kolen. Kan ik er niet 2 emmers van krijgen?
2) "...dan kom jij bij mij maar een keer biechten, hoor."
donderdag 18 april 2013
'Smoederke vertelt #1
Mijn moeder is "Smoederke". Komt van "Oos Moederke".
(Ik twijfel of ik moet schrijven: "moederke" of "moedurku".)
Waarom is mij een raadsel,
maar Brabanders noemen elk familielid bij naam plus het "bezittelijke voorvoegsel": ONS. Oos.
Een zus die Nellie heet, wordt dus "oosNel", oftewel, snel uitgesproken: "sNel."
Hoe traag ze ook is, ze blijft "sNel".
Bij Jan wordt het wat lastiger: Onze Jan, wordt: OozuJan. Dat is te lastig om snel uit te spreken. Dus wordt het: oosJan.
Johan wordt: Onze Johan, wordt oozeJohan. Klinkt bijna als "ôzejuwan".
Buren in de Randstad hebben jarenlang gedacht, dat deze broer "Don Juan" heette.
Dat hebben we uit moeten leggen. Ze keken hem altijd zo vreemd aan als hij binnenkwam. We snappen nu ook hun grappen: "Kom je net van je vriendin?" "Hoewist, Womeniser?" "Nix voor te betalen?" "Niet echt een vooruitziende blik, die ouders van je."
Maar vooral hun verbaasde blik. Je zag ze denken: Huh, hij??...een "Don Juan"?
Goed.
De volgende verhaaltjes komen van mijn moeder. Inderdaad: "Oosmoederke".
Een geweldige vrouw van 87 jaar. Wandelt nog elke dag één, soms twee uur. Is erg fit en "goed bij de pinken."
Ze maakt zich nog voak kwoad (vaak boos) over "de toestanden in de wereld."
Dat vind ik een goed teken.
Pas als ze zich niet meer opwindt over de wereld, dan ga ik me zorgen maken.
Het zal rond 1935 zijn geweest.
Mijn oma van moeders kant, de "schipperskant" van de familie, woonde "aan de wal". Haar man, mijn opa dus, ging dan alleen varen. Hij vertrok maandag heel vroeg. Zelfs zondagavond al. Mocht eigenlijk niet, want zondag was rustdag. Na een week van bikkelhard werken en weinig slaap kwam hij thuis. Soms zaterdag. Soms zondag. Soms bleef bij twee weken weg. Lag natuurlijk aan de klus, reis die hij aangenomen had.
Nu kwam hij vrijdagavond thuis. Goeie Vrijdag.
"Motte gaj nie goan biechten?" vroeg oma. (Moet jij niet gaan biechten)
"Huh?" zei mijn opa, "Waarom?" Dan werd mijn oma ongeduldig.
"Omdattut goeie vrijdag is. Ge MOT goan biechten!"
(Omdat het Goede Vrijdag is. Je MOET dan biechten.)
Grote zucht van opa en het verweer,
"Maor kzounie wetuh wah!. (Ik zou niet weten wat ik moet opbiechten!)
Kheb, godnondeju de hele week alleen maar op dé schipke gezeten."
"Dan verzinde mar wâ!", zei oma en riep:
"Ik wit wa! ge het de heule week op dé schip gezeten mej alleen mar brood en spek."
Ja, die schippers aten een dikke snee brood en sneden dan een reep van het spek af als beleg.
Dus zei oma: "Wa hedde gaj op goeje vrajdag gegeten? Spek! En ge wit daggu op vrajdag gin vlees mag etûh, zéker nie op goeje vrajdag!"
(Wat heb je op Goede Vrijdag gegeten? Spek!
En je weet dat je op vrijdag geen vlees mag eten en zeker niet op Goede Vrijdag!!)
Om van't gezeik af te zijn, ging mijn opa naar de kerk en vertelde aan de pastoor, dat hij op goeie vrijdag vlees had gegeten.
"Hedde'r spijt van?" vroeg meneer pastoor. "
"Tja," zei de pastoor, "dan kannikoe de absolutie niet geven."
Waarop mijn opa fel reageerde met:
"Ach, man, dan verstaod'oe vaknie!" en liep kwaad weg.
(Ach man, dan versta je je vak niet!)
RFTS
(Ik twijfel of ik moet schrijven: "moederke" of "moedurku".)
Waarom is mij een raadsel,
maar Brabanders noemen elk familielid bij naam plus het "bezittelijke voorvoegsel": ONS. Oos.
Een zus die Nellie heet, wordt dus "oosNel", oftewel, snel uitgesproken: "sNel."
Hoe traag ze ook is, ze blijft "sNel".
Bij Jan wordt het wat lastiger: Onze Jan, wordt: OozuJan. Dat is te lastig om snel uit te spreken. Dus wordt het: oosJan.
Johan wordt: Onze Johan, wordt oozeJohan. Klinkt bijna als "ôzejuwan".
Buren in de Randstad hebben jarenlang gedacht, dat deze broer "Don Juan" heette.
Dat hebben we uit moeten leggen. Ze keken hem altijd zo vreemd aan als hij binnenkwam. We snappen nu ook hun grappen: "Kom je net van je vriendin?" "Hoewist, Womeniser?" "Nix voor te betalen?" "Niet echt een vooruitziende blik, die ouders van je."
Maar vooral hun verbaasde blik. Je zag ze denken: Huh, hij??...een "Don Juan"?
Goed.
De volgende verhaaltjes komen van mijn moeder. Inderdaad: "Oosmoederke".
Een geweldige vrouw van 87 jaar. Wandelt nog elke dag één, soms twee uur. Is erg fit en "goed bij de pinken."
Ze maakt zich nog voak kwoad (vaak boos) over "de toestanden in de wereld."
Dat vind ik een goed teken.
Pas als ze zich niet meer opwindt over de wereld, dan ga ik me zorgen maken.
Het zal rond 1935 zijn geweest.
Mijn oma van moeders kant, de "schipperskant" van de familie, woonde "aan de wal". Haar man, mijn opa dus, ging dan alleen varen. Hij vertrok maandag heel vroeg. Zelfs zondagavond al. Mocht eigenlijk niet, want zondag was rustdag. Na een week van bikkelhard werken en weinig slaap kwam hij thuis. Soms zaterdag. Soms zondag. Soms bleef bij twee weken weg. Lag natuurlijk aan de klus, reis die hij aangenomen had.
Nu kwam hij vrijdagavond thuis. Goeie Vrijdag.
"Motte gaj nie goan biechten?" vroeg oma. (Moet jij niet gaan biechten)
"Huh?" zei mijn opa, "Waarom?" Dan werd mijn oma ongeduldig.
"Omdattut goeie vrijdag is. Ge MOT goan biechten!"
(Omdat het Goede Vrijdag is. Je MOET dan biechten.)
Grote zucht van opa en het verweer,
"Maor kzounie wetuh wah!. (Ik zou niet weten wat ik moet opbiechten!)
Kheb, godnondeju de hele week alleen maar op dé schipke gezeten."
"Dan verzinde mar wâ!", zei oma en riep:
"Ik wit wa! ge het de heule week op dé schip gezeten mej alleen mar brood en spek."
Ja, die schippers aten een dikke snee brood en sneden dan een reep van het spek af als beleg.
Dus zei oma: "Wa hedde gaj op goeje vrajdag gegeten? Spek! En ge wit daggu op vrajdag gin vlees mag etûh, zéker nie op goeje vrajdag!"
(Wat heb je op Goede Vrijdag gegeten? Spek!
En je weet dat je op vrijdag geen vlees mag eten en zeker niet op Goede Vrijdag!!)
Om van't gezeik af te zijn, ging mijn opa naar de kerk en vertelde aan de pastoor, dat hij op goeie vrijdag vlees had gegeten.
"Hedde'r spijt van?" vroeg meneer pastoor. "
"Spijt? Neuh nie echt. 'Kheb niks aanders te vrète op zo'n schipke." zei opa.
"Tja," zei de pastoor, "dan kannikoe de absolutie niet geven."
Waarop mijn opa fel reageerde met:
"Ach, man, dan verstaod'oe vaknie!" en liep kwaad weg.
(Ach man, dan versta je je vak niet!)
RFTS
Abonneren op:
Posts (Atom)









